CD&V – senioren over digitale inclusie van ouderen

Een afspraak maken bij de dokter, het uitvoeren van een overschrijving, het indienen van een aangifte, het volgen van online lessen, het aanvragen van een attest bij de gemeente, online reserveren bij je favoriete restaurant, online winkelen, … De digitale manier is vaak de makkelijkste, snelste, goedkoopste en  helaas soms zelfs de enige beschikbare manier.

Digitaal mee zijn wordt steeds meer een basisvereiste voor volwaardige sociale inclusie. Tijdens de coronapandemie is dit nog toegenomen. Want in tijden van gedwongen sluitingen en essentiële verplaatsingen, zijn zowel bedrijven, dienstverleners als de overheid overgeschakeld naar digitale vormen van communicatie en dienstverlening. Burgers werden verwacht hier in te volgen. Want bankkantoren sloten de deuren, op restaurant kreeg je een QR-code om te scannen in plaats van een papieren menukaart en zowel je rekeningen als je ticketje op tram of bus konden enkel nog digitaal betaald worden.

Iedereen digitaal

De Vlaamse regering trekt in haar relanceplan “Vlaamse Veerkracht” resoluut de kaart van de digitalisering. Vlaanderen moet digitaal transformeren tot een toonaangevende data-economie en -maatschappij.

Om van die digitale transformatie een economisch en maatschappelijk succes te maken, wordt er het ambitieus actieplan 'Iedereen Digitaal' aan gekoppeld. Via een e-inclusiebeleid wil de regering tot een inclusieve samenleving komen. Dat richt zich onder andere op de toegang tot internet voor kwetsbare groepen en op de verbetering van de digitale vaardigheden van alle Vlamingen.

Beleidsaanbevelingen voor een Vlaams e-inclusiebeleid

De CD&V senioren onderschrijven de aanbevelingen van de Vlaamse Ouderenraad (advies 2020/05) om tot een overkoepelend Vlaams e-inclusiebeleid te komen dat zowel de digitale uitsluiting van ouderen voorkomt, als het gebruik van digitale toepassingen door ouderen gemakkelijker maakt.:

1.       Een overkoepelend Vlaams e-inclusiebeleid, met onderzoek en continue monitoring

 

Uit onderzoeken blijkt dat 5% van de Vlamingen en 13% van de Vlaamse ouderen tussen 55 en 74 jaar nog nooit gebruik maakten van internet. 

 

Digitale inclusie moet een transversale beleidsdoelstelling zijn, die over alle beleidsdomeinen heen gevoerd wordt. We pleiten voor een meer geïntegreerd e-inclusiebeleid. Elke minister moet de nodige middelen vrijmaken en van digitale inclusie een prioritaire doelstelling maken om het actieplan “Iedereen Digitaal” te laten slagen en de kwetsbare groepen in de online samenleving voldoende te ondersteunen.

 

Een efficiënt Vlaams e-inclusiebeleid stoelt op het in kaart brengen en monitoren van alle facetten van e-inclusie: de toegang tot internet en tot digitale toepassingen, de kennis en vaardigheden bij burgers, de drempels waarop mensen botsen en de impact van initiatieven en goede praktijken. 

 

Ouderen boven 75 jaar, tot nu in alle onderzoeken een blinde vlek, moeten als leeftijdsgroep ten gronde worden opgenomen in onderzoek, zodat hun specifieke digitale noden gekend zijn en aangepakt kunnen worden.

 

2.       Verzeker voor iedere oudere een kwalitatieve toegang tot internet, materiaal en digitale dienstverlening

 

8% van de Vlaamse huisgezinnen beschikt niet over een internetverbinding. 18% van de 65- tot 74-jarigen beschikt niet over een smartphone, 33% van de 65- tot 74-jaren bezit geen laptop en  10% van de 65- tot 74-jarigen heeft thuis geen internet.

 

Betaalbare en kwaliteitsvolle toegang tot internet, hardware en software is een basisvoorwaarde voor digitale inclusie. Het is een recht dat voor iedere burger op een toegankelijke manier en tegen een betaalbare prijs beschikbaar moet zijn. Het voorstel van CD&V-parlementslid Jan Briers voor de opname van de toegang tot internet als een grondrecht in de grondwet, is zeker een stap in de goede richting. Hierdoor worden alle overheden verplicht er mee voor te zorgen.

 

De Vlaamse overheid  moet voor alle mensen in een kwetsbare positie voorzien in ondersteunings-maatregelen. In publieke gebouwen en belangrijke openbare plaatsen moet er toegang zijn tot internet, via WIFI-hotspots waarvan iedereen gebruik kan maken. De CD&V-senioren pleiten voor een versnelde invoering van draadloos internet in alle woonzorgcentra.

 

Financieel kwetsbare ouderen moeten garanties krijgen voor betaalbaar gebruik van het

Internet. Verschillende telecomoperatoren bieden hiervoor al oplossingen aan i.s.m. de sociale diensten van de OCMW’s. De CD&V-senioren rekenen erop dat de federale regering werk maakt van de automatische toekenning van het sociaal tarief voor internet.  Slechts één op drie gezinnen die recht hebben op dit tarief, genieten ervan. De toegang tot het internet moet ook verzekerd blijven tijdens de periode van schuldhulpverlening.

 

Er zijn een aantal goede voorbeelden, zoals: digicheques in sommige steden en gemeenten, die gebruikt worden als betaalmiddel om een beroep te doen op de persoonlijke hulp van een IT-student in het kader van Beego, vouchers en codes voor gratis internet, die door Proximus en Telenet tijdens de coronacrisis aan gezinnen in kansarmoede werden toegekend.

 

Ouderen  moeten kunnen gebruik kunnen maken van digitale toestellen. Zij, die zelf geen pc, laptop of tablet bezitten, moeten terecht kunnen in een digipunt in hun gemeente, in publieke ruimtes met computers, bv. bibliotheken, lokale dienstencentra, Kringloopwinkels, gemeentelijke administratieve centra, OCMW’s en CAW’s. Deze plekken moeten makkelijk bereikbaar en toegankelijk zijn, ook na de werkuren. Digidak werkte in verschillende gemeenten reeds een project op maat uit i.s.m. lokale spelers. In de openbare computerruimtes van Digidak kan men vrijblijvend binnenlopen, gratis een computer en internet gebruiken en gebruik maken van initiaties en ondersteuning

 

Tijdens de coronacrisis werden er spontaan solidaire initiatieven gestart om ouderen in

woonzorgcentra of thuis van een pc of tablet te voorzien, zodat ze minder geïsoleerd zouden zijn. Deze efficiënte crisismaatregelen en werkingen die voor een verbeterde toegang tot digitale toestellen hebben gezorgd, moeten door de overheid structureel verankerd worden.  

 

Belangrijk is ook om uitleendiensten voor digitale toestellen op te zetten in woonzorgcentra en ziekenhuizen en bij OCMW’s. OCMW’s  kunnen hiervoor mogelijk ook groepsaankopen organiseren.

 

Het overgrote deel van de Vlaamse lokale besturen is bereid om mee te werken aan dergelijke initiatieven. Dat blijkt uit het succes van recente projectoproepen voor digitale inclusie van de Vlaamse regering in het kader van “Iedereen digitaal”, zoals Digibanken, onder de bevoegdheid van CD&V-minister Hilde Crevits. 

 

3.       Investeer in de digitale geletterdheid van ouderen

 

De vijfde strategische doelstelling van het Vlaams Strategisch Plan Geletterdheid wil inzetten op het verhogen van de digitale geletterdheid van jong en oud, zodat ze volwaardig kunnen participeren in de snel digitaliserende maatschappij. Vermits 58% van de 55- tot 74-jarigen niet over voldoende basisvaardigheden beschikt om te participeren aan de digitale samenleving, moeten hiervoor specifieke budgetten voorzien worden om initiatieven in het kader van deze doelstelling te realiseren.

 

Ouderen moeten de kans krijgen om hun digitale vaardigheden bij te spijkeren met de continue digitale innovaties, die nieuwe competenties vergen. Dat kan via opleidingen en infomomenten bij centra voor basiseducatie en voor volwassenenonderwijs, bij bibliotheken en socioculturele verenigingen en organisaties zoals Seniornet Vlaanderen. Het is belangrijk voor ouderen dat het tempo bij elk van die opleidingen op hen wordt afgestemd, anders haken ze af. Voor mensen die het financieel niet breed hebben, moet de drempel om zich hiervoor in te schrijven verlaagd worden, bv. door digicheques, een korting voor ouderen met een laag inkomen of de UiTPAS.

 

Ouderen die geen zin of tijd hebben om een volledige cursus te volgen, hebben baat bij kleinschalige initiatieven met een vrije inloop, zoals digicafés, waar ze in hun buurt op een laagdrempelige manier bepaalde digitale vaardigheden kunnen verwerven. Intergenerationele projecten, waarbij jongeren ouderen kunnen helpen of initiatieven zoals Seniornet Vlaanderen, waarbij ouderen elkaar helpen en kennis delen, verlagen eveneens de drempel voor ouderen om aan hun digitale kennis en vaardigheden te werken. De Vlaamse overheid moet de initiatieven die opgezet worden vanuit lokale verenigingen, besturen, bibliotheken, scholen, lokale dienstencentra, buurtwerkingen, … actief ondersteunen. Hiervoor moet een structureel kader voorzien worden. Mediawijs, het Vlaams Kenniscentrum  Digitale en Mediawijsheid, onder de bevoegdheid van CD&V-minister Benjamin Dalle, levert hier reeds goed werk.

 

Naar een deel van de ouderen toe blijft het belangrijk om te sensibiliseren over het belang van digitale vaardigheden en de mogelijke meerwaarde die bepaalde digitale tools kunnen hebben om actief ouder te worden en zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven. Langs diverse kanalen dienen hierrond informatie- en sensibiliseringsinitiatieven opgezet te worden.

 

Tevens belangrijk is de promotie van hulpmiddelen voor laaggeletterde ouderen, bv. van een aantal nuttige sites, die ouderen helpen bij digitale verrichtingen zoals 123digit.be  of de handleidingen op mediawijs.be. Deze zijn vaak nog onvoldoende gekend  bij het brede publiek. Ook bij de lancering van nieuwe websites en online toepassingen is er vaak actievere bekendmaking en begeleiding naar ouderen toe nodig.

 

Sensibilisatie en promotie zijn ook een opdracht voor alle ouderenorganisaties.

 

Via de openbare omroep kan men ook in de daluren laagdrempelige programma’s opzetten, bv. rond veilig internetgebruik en het herkennen van digitale fraude. 

4.       Maak ouderen digitaal weerbaarder en versterk hun motivatie om digitaal actief te zijn.

Via allerlei phishingberichten tracht men toegang te krijgen tot onze bankrekening. Sommige webshops maken misbruik  van onze goede trouw bij de plaatsing van online bestellingen en geven geen kans tot nazicht van de bestelling voor de definitieve bevestiging. Frauduleuze firma’s slagen er zelfs in om maandelijks onopvallend kleine bedragen te aan te rekenen via Visa-kaart. Vele ouderen  hebben daarom schrik om bankzaken digitaal te regelen. Ze zijn zelfs bang om Whatsapp-berichten te openen

 

Heel wat ouderenorganisaties bieden ouderen handvatten aan om  digitaal weerbaarder te worden. Samen met deze organisaties op het terrein moet er bekeken worden hoe infosessies, vormingen en één-op-één begeleiding over veilig internetgebruik en het herkennen van vormen van online oplichting opgezet en opgeschaald kunnen worden. Samen met sensibiliseringscampagnes op radio en televisie moeten deze initiatieven gebruikers van digitale toepassingen inlichten, hun waakzaamheid verhogen en hen helpen risico’s beter te herkennen en in te schatten.


Er bestaan een aantal websites  waarop consumenten terecht kunnen om deze misbruiken te melden, zoals https://www.mijnkaart.be/nl/home.html en https://campagne.safeonweb.be. Met nieuwe wetgevende initiatieven en ethische codes moeten dergelijke misbruiken zoveel mogelijk voorkomen worden. Een groter engagement van de banken en passende verzekeringen kunnen de negatieve gevolgen van deze misbruiken beperken..

 

Ouderen willen ook een beter zicht te krijgen op hun persoonlijke gegevens die door de overheid, maar bijvoorbeeld ook door zorginstanties verzameld en gebruikt worden. Ze willen die gegevens op elk moment kunnen inkijken en nagaan met wie ze gedeeld worden, de gegevens waar nodig laten corrigeren en desgewenst ook zelf kunnen gebruiken en doorgeven voor hergebruik aan andere organisaties. Hier kan informatie via allerlei kanalen, zoals via infofolders, tijdschriften en webinars het vertrouwen van de senioren vergroten.

 

5.       Verbeter de gebruiksvriendelijkheid van digitale dienstverlening

 

Digitale toepassingen die in opdracht van de overheid ontwikkeld worden, moeten ‘voor inclusie’ ontworpen worden. Wanneer ontwikkelaars van websites en applicaties van bij de start peilen naar en rekening houden met de specifieke noden en mogelijkheden van oudere gebruikers, en ook tijdens de ontwikkeling een proces van co-creatie opzetten met hun doelpubliek, worden producten en diensten ontwikkeld waar ook ouderen gebruik van kunnen en willen maken.

 

Bij ontwerpen ‘voor inclusie’ houden ontwerpers en andere betrokkenen bij het ontwerp van producten of diensten rekening met allerlei mogelijke beperkingen of moeilijkheden die gebruikers hebben of ervaren. Dit gaat dan zowel over heldere gebruikte taal en het gemak waarmee informatie wordt gevonden, als over de snelheid waarmee handelingen moeten gebeuren of paswoorden worden ingegeven. Er dient ook speciale aandacht te zijn voor alle mogelijke fysieke beperkingen. De gebruiker en het gebruiksgemak moeten centraal staan en het product is pas af als de gebruikers ermee tevreden zijn. De Vlaamse overheid dient dit principe in alle initiatieven rond digitalisering en digitale innovatie door te trekken. Tevens dient de toegankelijkheid van het digitale te verhogen door een begrijpelijke taal te gebruiken, liefst in de moedertaal. Het gebruik van Engelse temen en toelichtingen bij internettoepassingen moet zoveel mogelijk vermeden worden. Want dit is op al een drempel voor velen.

 

De toepassing van een e-inclusietoets op de bestaande Vlaamse diensten en een garantie dat alle toepassingen gebruiksvriendelijk zijn voor ouderen, dient verder ontwikkeld te worden.

 

6.       Garandeer een ondersteuningsnetwerk en een betaalbare en klantvriendelijke hulpverlening voor ouderen met digitale problemen

 

Veel ouderen wenden zich graag tot iemand in hun buurt of wijk. Digitale initiatieven in de buurt kunnen de rol van ondersteuningsnetwerk op zich nemen. De overheid moet daarom investeren in digitaal inclusieve initiatieven op buurtniveau. Een financieel kader dat initiatieven vanuit en samenwerkingen tussen verenigingen, lokale besturen, bibliotheken, scholen en buurtwerk ondersteunt, is hierbij nodig. Tijdens digidoktermomenten in de bibliotheek, het woonzorgcentrum of andere publieke plekken of via digibuddies in de buurt kunnen ouderen op die manier terecht bij vrijwilligers die hen begeleiden en helpen met hun digitale problemen.

 

Voor ambtenaren en dienstverleners in mensgerichte sectoren, die rechtstreeks in contact komen met burgers, is het belangrijk dat ze digitaal voldoende onderlegd zijn en hun kennis geregeld opfrissen om burgers die hen om hulp vragen te ondersteunen bij hun digitale problemen. Dit geldt zeker voor dienstverleners die via e-loketten of andere digitale toepassingen op zorgvragen moeten ingaan. Lokale en bovenlokale overheden moeten daarom een e-inclusief medewerkersbeleid voeren, waarbij het personeel de nodige digitale vaardigheden kan opbouwen en onderhouden en voldoende mediawijs is om deze rol te vervullen.

 

De nood aan voldoende digitale kennis en competenties geldt ook voor sociale professionals die cliënten in het welzijnswerk moeten kunnen ondersteunen. Mediawijs, UCLL en Link in de Kabel ontwikkelden hiervoor een mediacoach-opleiding voor de welzijnssector. Tijdens deze opleiding leren medewerkers mediawijsheid en digitale media integreren in de eigen sociale praktijk en organisatie en verwerven ze de nodige competenties om hun collega’s, cliënten en patiënten te ondersteunen. Dergelijke initiatieven dienen breder uitgedragen en bekend gemaakt te worden richting andere sectoren.

 

De nieuwe opleiding tot digitale-inclusiecoach van VVSG i.s.m. Mediawijs kan zeker de medewerkers van de lokale besturen, die in contact staan met het publiek, hiervoor de weg wijzen.

 

In de opleiding voor digitale professionals moet meer aandacht besteed worden aan de omgang met digitaal weinig of ongeletterde gebruikers, o.a. oudere gebruikers die het specifieke jargon niet begrijpen. Bij informaticaopleidingen of opleidingen voor helpdeskmedewerker moet er daarom meer oog zijn voor het (telefonisch, online of oog in oog) begeleiden of uitleg geven aan digibeten. 

 

Ouderen moeten aan verlaagd tarief of gratis gebruik kunnen maken van betaalbare professionele ondersteuning en hulp bij digitale problemen

 

7.       Blijf investeren in niet-digitale persoonlijke dienstverlening

 

Ook wanneer de overheid de bovenstaande zes aanbevelingen ten volle realiseert, zullen er nog altijd burgers zijn die geen gebruik kunnen of willen maken van (bepaalde) digitale toepassingen. De digitalisering mag niemands mensenrechten aantasten of ertoe leiden dat ze in het gedrang komen. Zeker in essentiële basisdiensten mag de digitalisering niet ten koste gaan van de toegang tot persoonlijke dienstverlening. Informatie en dienstverlening die cruciaal is voor mensen hun persoonlijke situatie en rechten moet ook via niet-digitale kanalen aangeboden blijven worden.

 

Voor essentiële basisdiensten (overheidsdiensten, ziekenhuizen, banken, postkantoren, energie en telecom, openbaar vervoer, mutualiteiten,…)  moet het recht op persoonlijke, niet-digitale dienstverlening verankerd en gemonitord te worden.

 

Sectoren met een belangrijke maatschappelijke dienstverlening moeten door de overheid gestimuleerd worden om in te zetten op een slimme mix van kanalen via het ‘click – call – face – home’ principe. Volgens dit principe vullen kanalen elkaar aan én versterken ze elkaar, op maat van elke burger. Via ‘click’ is het grootste deel van de dienstverlening altijd digitaal beschikbaar, via een webpagina, een applicatie of een chatbot. Voor wie het gebruik van de digitale dienstverlening niet lukt, is er parallel een ‘call’-functie beschikbaar. Hier wordt wie niet digitaal wegwijs raakt telefonisch verder geholpen en geïnformeerd, of biedt men telefonisch laagdrempelige begeleiding bij de digitale dienstverlening. Via het loket kan men oog in oog (‘face’) de diensten aanbieden. Het ‘home’-principe richt zich specifiek op kwetsbare groepen die zich moeilijk kunnen verplaatsen. Daar wordt er thuis in een persoonlijke dienstverlening voorzien. 

Dit principe moet de leidraad vormen in alle vormen van essentiële maatschappelijke dienstverlening. Hiervoor moeten de niet-digitale vormen van dienstverlening laagdrempelig vindbaar, kwaliteitsvol en toegankelijk zijn.

 

De digitalisering van informatie en diensten mag er niet toe leiden dat persoonlijke 

contacten en niet-digitale verrichtingen duurder worden. Het duurder maken van diensten voor ouderen die deze niet online of via een app kunnen aankopen of ontvangen werkt discriminerend ten aanzien van de meest kwetsbaren in onze samenleving en vergroot hun risico op armoede en uitsluiting. 

Commentaar CD&V-senioren op het pensioenplan van CD&V

Inleiding

De duurzame financiering van het wettelijk pensioen staat onder druk. De pensioenuitkeringen zijn de jongste decennia niet meegestegen met de algemene welvaartstoename.  Meer dan 90% van de uitgekeerde pensioenen volstaat niet om een verblijf in een rusthuis te financieren. Daarom is de noodzakelijke welvaartsvastheid van de pensioenen voor de CD&V-senioren zeer belangrijk.

Twee op de drie mensen maken zich zorgen over hun pensioen en meer dan de helft is ervan overtuigd dat hun pensioen onvoldoende zal zijn om waardig te leven.

Het pensioenstelsel moet worden hervormd om het eenvoudiger en rechtvaardiger te maken maar de BETAALBAARHEID vormt de grootste uitdaging.

In 2021 bedroegen de pensioenuitgaven in België in de begroting van de RSZ 52 miljard euro of meer dan 11% van het bbp. In 2040 zal de pensioenlast oplopen tot ongeveer 14% van het bbp. Daarbij komen de gezondheidsuitgaven zodat de overheidsbestedingen om de vergrijzing te financieren een zware hypotheek leggen op de overheidsfinanciën die nu al in België gebukt gaan onder een globale openbare schuld die in 2025 zal oplopen tot 120% van het bbp (vergeleken met 60% in Duitsland en Nederland).

Hoe de pensioenen betaalbaar houden?

Om de vergrijzingskosten blijvend te financieren is het nodig om de tewerkstellingsgraad van de actieve bevolking te verhogen naar 80%. In België is amper 70% van de bevolking tussen 20 en 64 jaar aan de slag tegenover 80% in Duitsland en Nederland. De werkzaamheidsgraad van de 55-65-jarigen bedraagt vandaag zelfs maar 56%. België behoort tot de landen met de kortste loopbanen hetgeen de sociale zekerheid verzwakt.  En, die sociale zekerheid kan je maar in stand houden als het aantal werkenden toeneemt en een volledige loopbaan nastreeft.
Een hervorming van het pensioenstelsel zal maar duurzaam kunnen functioneren als ze betaalbaar is.  Dit kan maar lukken indien de tewerkstellingsgraad naar 80 % kan worden getild.

Uitgangspunt van de CD&V-senioren is een versterking van de wettelijke eerste pijler met een goede mix van verzekering en solidariteit. De minimumpensioenen moeten mee evolueren met de levensduurte door een welvaartskoppeling, om de welvaartsvastheid te garanderen.

Aanvullend komt er een sterke uitgebouwde collectieve tweede pijler als bijkomende financiering.

In de pensioennota van CD&V ontbreekt een FINANCIEEL KADER waarin de betaalbaarheid van de pensioenen duidelijk uiteengezet wordt.

Vele voorstellen in de nota zullen dus moeten worden afgetoetst aan de budgettaire haalbaarheid.  Essentieel daarbij is af te toetsen in welke mate een maatregel de werkzaamheidsgraad bevordert dan wel stremt. Voor de financiering van de pensioenen vormt dit een absolute voorwaarde om succesvol te kunnen hervormen.

Principes uit het CD&V pensioenplan die we met de CD&V senioren onderschrijven

Rekening houdend met deze voorwaarden kunnen we de principes van onderstaande voorstellen uit het CD&V-plan onderschrijven:

·       Een sterkere koppeling tussen de bijdragebetaling en het pensioenbedrag (de zgn. vervangingsratio, zijnde het pensioen als percentage van het loon)

·       De huidige regering voorziet in een (in fasen) optrekking van het minimumpensioen tot 1500 euro netto per maand voor iedereen na een volledige loopbaan van 45 jaar (kostprijs 1,2 miljard tot 2024). Binnen het huidig systeem van een minimumpensioen met toegangsvoorwaarden moet een dubbele toegang mogelijk zijn waarbij mensen niet alleen met een loopbaan van 30 jaar maar ook via 20 effectief gewerkte jaren toegang krijgen tot het minimumpensioen. Ook willen we bij de berekening van het minimumpensioen elke gewerkte dag (i.p.v. maanden of jaren) laten meetellen zodat ook mensen die deeltijds werken een pro rata pensioen kunnen opbouwen. Dit is belangrijk voor vrouwen zodat elk deeltje “werk” meegerekend wordt en het geeft ook aan dat werken loont.

·       Een verplichte bijdrage invoeren voor de 2de pijler of aanvullend pensioen is verdedigbaar. De werkgeversbijdrage zou dan van minimum 2% naar 3% op de loonmassa gaan. Naast de eerste wettelijke pijler is versterkte aanvullende tweede pijler cruciaal voor de duurzaamheid en betaalbaarheid van de pensioenen. 2de pijler in rente uitbetalen (een pensioen is een rente, geen kapitaal) is een maatregel die de mensen tegen zichzelf moet beschermen en ook het kapitalisatiesysteem van de 2de pijler kan gezond houden. De keuzemogelijkheid tussen rente of kapitaal moet gevrijwaard blijven.

·       Pensioensplit tussen echtgenoten (ev. ook voorzien voor wettelijk samenwonenden) waarbij het wettelijk en aanvullende pensioenbedrag van beide echtgenoten wordt samengeteld en verdeeld. Dit kan bijdragen tot het verminderen van de genderpensioenkloof. Vrouwen ontvangen 1/3 minder pensioen dan mannen. Die genderpensioenkloof moet gedicht worden door vrouwen te activeren op de arbeidsmarkt en ervoor te zorgen dat zij gelijke toegang krijgen tot een aanvullend pensioen.

·       Voor de berekening van het rustpensioen blijven we de gelijkgestelde periodes behouden (ziekte, werkloosheid, geboorteverlof, ouderschapsverlof).

·       In verband met de ambtenarenpensioenen moeten er maatregelen worden genomen om vervroegde uittreding te voorkomen. 40% van de ambtenaren gaat voor de leeftijd van 60 jaar met pensioen (18% bij werknemers) en kent systemen van soepele uittredingsregimes. Ze hebben kortere loopbanen en hogere pensioenen. Terecht stelt de CD&V-pensioennota dat de effectieve uittredingsleeftijd moet worden opgetrokken.  Of er ook bij statutaire ambtenaren een aanvullend pensioen moet worden opgebouwd van minstens 3% is wel de vraag, zeker zolang het verschil in de pensioenbelofte tussen ambtenaren en werknemers niet afgebouwd wordt. Hoe dan ook moet er werk worden gemaakt om de verschillende regelingen van werknemers, ambtenaren en zelfstandigen op mekaar af te stemmen, met een overgangsperiode en zonder te raken aan de verworven rechten

 

Kritische bedenkingen en aanvullingen op het CD&V pensioenplan

·       In verband met de voorstellen om de mensen een vrije keuze te laten om met pensioen te gaan tussen 62 en 67 jaar en deeltijds pensioen zijn er enkele kritische bemerkingen te maken:

Ø  Hoewel in een pensioenbonus/malus systeem wordt voorzien voor personen die bv. op 62 jaar met pensioen gaan, is het gevaar reëel dat hij/zij een beperkt verlies aan pensioen verkiest boven langer te werken tot zijn/haar 65 jaar of later tot 67 jaar. Het kan leiden tot vervroegde uittreding en minder actieve tewerkstelling. Ook voor de overheid zal dit leiden tot extra-kosten vermits iemand die op 62 met pensioen gaat 5 loopbaanjaren mist, een pensioen krijgt, minder personenbelasting betaalt en de overheid 5 jaar RSZ-inkomsten derft. 

Ø  Hetzelfde bezwaar kan men formuleren over het deeltijds pensioen. Als iemand halftijds werkt en halftijds met pensioen gaat kan dit leiden tot een vervroegde uittreding en zal dit de globale werkzaamheidsgraad doen dalen terwijl het juist de bedoeling is deze te doen stijgen. Ook zal dit leiden tot bijkomende pensioenuitgaven.

De mensen terug controle geven over het einde van hun loopbaan riskeert de effectieve pensioenleeftijd opnieuw te verlagen omdat velen de pensioenmalus zullen verkiezen boven te werken tot hun 65, 66 of 67 jaar. Het zal eerder een rem zijn op langer werken dan een aanmoediging. Een pensioenhervorming moet langer werken aanmoedigen en vervroegd uittreden ontmoedigen. Een malus moet een goed voelbaar verschil inhouden, anders zullen de mensen niet langer werken dan strikt nodig is. Soepele eindeloopbaanregelingen moeten erop gericht zijn de effectieve loopbanen te verlengen en niet om ze te verkorten.

·       Het overlevingspensioen geldt momenteel alleen voor gehuwden. We willen dit ook verbreden tot  wettelijk samenwonenden.

·       De CD&V-senioren hechten veel belang aan een goede inkomensgarantie voor ouderen (IGO) die over onvoldoende financiële middelen beschikken. De IGO moet worden opgetrokken tot de Europese armoedegrens waarbij een pensioenbescherming wordt geboden die een menswaardig leven moet toelaten.

 

Lees de reacties ()
Lees de reacties () Verberg reacties