De rol van de provincies en regionale werkingen

20-11-2018

Spreekpunten CD&V senioren Oudenaarde (16/11/2018)

Ter inleiding

Voorliggende nota houdt een visie in op volgende 3 vragen:

  • Wat zijn jouw inzichten over de wijze waarop de regelgeving heeft ‘geknabbeld’ aan de bevoegdheden van de provincie als beleidsniveau en wat is de positie van CD&V t.o.v. de afbouw van de werkingsradius van de provincies?
  • Kan de provincie nog een volwaardig beleidsniveau blijven? Wat is de meerwaarde?  
  • Is in de nabije toekomst een verdere ingreep op de bevoegdheden van de provincies te vermijden?  

 

Algemene beschouwing

Alvorens in te gaan op hoger vermelde vraagstelling volgende algemene beschouwing.

De huidige Vlaamse regering is er vanuit ‘bestuurskundig oogpunt’ onvoldoende in geslaagd om met de drie bestuursniveaus (gemeenten, provincies en Vlaamse overheid) gemeenschappelijke maatschappelijke projecten te ontwikkelen én te realiseren.

 

  1. Het schoolvoorbeeld daarvan is de totstandkoming van het ‘Bestuursdecreet’. Uitgangspunt was zowel het ‘maatschappelijk leven’ als de ‘bestuurlijke partners’ te betrekken bij de wijziging van dit decreet. Weliswaar werd er een participatieproces uitgetekend waarbij heel wat initiatieven op touw werden gezet. Heel wat voorstellen (cfr. gezamenlijke nota VVSG-VVP) werden ingediend maar het resultaat is echter een vrij bureaucratisch decreet dat amper leesbaar en toepasbaar is. http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1420219

              

  1. Voorafgaand aan het project ‘afslanking van de provincies’ werd de adviesraad Vlabest http://www.vlabest.be/ ontbonden waarbij eventueel kritische reflecties tov het project niet mogelijk werden.

 

Conclusie:

  • In de toekomst dient meer gebruik gemaakt te worden van de mogelijkheden die het maatschappelijk middenveld in samenwerking met de 3 bestuursniveaus te bieden heeft om belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te gaan.

 

Vraagstelling

Vraag 1

‘Wat zijn jouw inzichten over de wijze waarop de regelgeving heeft ‘geknabbeld’ aan de bevoegdheden van de provincie als beleidsniveau?’ en ‘wat is de positie van CD&V tov de afbouw van de werkingsradius van de provincies?’

Blikvangers zijn alvast:

  • In het kader van het project ‘interne staatshervorming’ (2009-2014) werd de open taakstelling van de ‘persoonsgebonden bevoegdheden’ van de provincies (welzijn, jeugd, sport, cultuur) in dialoog met de provinciebesturen, decretaal omschreven vanuit hun core business als bovenlokaal bestuursniveau. Bestuursakkoorden werden afgesloten tussen Vlaanderen en de provinciebesturen als een vorm van opvolgingstraject.
  • In het zgn. ‘afslankingsdecreet’ werden deze bevoegdheden volledig ontnomen (vanaf 1 januari 2018). Voortaan dienen de provinciebesturen enkel grondgebonden bevoegdheden te behartigen (zie verder). Quid daarbij het voeren van een transversaal beleid? Voorbeeld: provincies mogen nog onroerend erfgoedbeleid behartigen maar geen roerend erfgoed.
  • Beide projecten (interne staatshervorming en afslanking van de provincies) hadden initieel als doelstelling de vermindering van de bestuurlijke verrommeling. Deze is echter gebleven.
  • Evenzeer in het kader van het regeerakkoord 2014-2019 werd beslist om:
    • Het provinciefonds af te schaffen (2014) (ter info 2013 PF: 92 miljoen euro)
    • De halvering van het aantal provinciemandatarissen (zonder enige studie) en vermindering van het aantal gedeputeerden (2018)
    • De verplichte terugtrekking van de provincies uit de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (2019)
    • De organisatie van de werkgroep ‘decentralisatie van Vlaanderen naar de lokale overheid’ zonder inhoudelijk de provincies te betrekken in deze decentralisatieoefening.
    •  

Deze beslissingen werden, zonder enige vorm van dialoog, genomen boven de hoofden heen van de provinciebesturen.

Maar ook mbt de zgn. ‘grondgebonden bevoegdheden’ werden de provinciebesturen tijdens de afgelopen legislatuur vaak in het hoekje gezet. Voorbeelden hiervan zijn de discussie in de interkabinettenwerkgroep over de rol van de provinciebesturen inzake het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen; de reorganisatie van de streekplatformen waarbij de trekkersrol van de provinciebesturen als bovenlokaal bestuursniveau verdween, idem mbt de trekkersrol inzake Europese dossiers; de problematiek inzake de participatie aan de  vervoersregio’s,…

Tot slot dient er nog op gewezen te worden dat de recente wijziging van het provinciedecreet alleen maar een ‘doordrukje’ was van de afstemming met het decreet lokaal bestuur. Het provinciedecreet blijft daardoor een soort van ‘rommelpotje’ met hoofdstukken die niets te maken hebben met het provinciaal bestuursniveau (cfr. statuut provinciegouverneur, regeling arrondissmentscommissaris,…)

 

Bij dit alles is het belangrijk om te verwijzen naar een belangrijk mankement voor het provinciaal bestuursniveau nl. de niet vertegenwoordiging van de provincie in het Vlaams parlement. Deze niet vertegenwoordiging staat in schril contrast met de cumulatie die er bestaat in het Vlaams parlement tussen Vlaams parlementslid en houder van een gemeentelijk mandaat, zijnde een cumulatie van 82%! In die zin zijn de provinciebesturen niet echt in staat om effectief hun ‘belangen’ te behartigen en dienen ze aldus ‘politiek Brussel’ te ondergaan.

Hierdoor krijgen ze maar weinig kansen mbt hun bestuurlijke meerwaarde !

Suggestie: de oprichting van een interbestuurlijke commissie onder auspiciën van het Vlaams parlement waarbij een afvaardiging van het Vlaams parlement, de VVSG en de VVP zitting in zouden hebben om te reflecteren op voorstellen/ontwerpen decreet.

 

 

Vraag 2

Kan de provincie nog een volwaardig beleidsniveau blijven?

 

Deze vraag krijgt o.m. haar antwoord door een toetsing te doen met de bestuurlijke alternatieven.

In Nederland is men kort na WOII op zoek gegaan voor een alternatief van de 12 provinciebesturen aldaar. Achtereenvolgens werden volgende ‘provinciemodellen’ in kaart gebracht: het 26-, het 24- en het 17 provinciemodel en het 11 plusmodel. Men evolueerde van ‘doe-provincies’ (planning, coördinatie en toezichtstaken) naar provincies waar het accent komt te liggen over ‘integrale werking’ en waarbij zowel het Rijk als de gemeenten bevoegdheden dienen af te staan aan het provinciaal bestuursniveau. Men dacht aan Randstadprovincies, provincievrije steden,… en ten slotte aan de oprichting van 5 landsdelen… In de huidige verklaring van de Nederlandse regering staat de herwaardering van de 10 provinciebesturen. De interbestuurlijke samenwerking staat daarbij in focus met als concrete methodologie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/02/14/programmastart-interbestuurlijk-programma-ibp en concrete agenda de gezamenlijke aanpak van de klimaatproblematiek, het plattelandsbeleid, de regionale economie, het woonbeleid,…

Is de regiovorming (cfr. stadsgewesten) een geldig alternatief? Vaak wordt deze indeling gezien als een soort ‘wit konijn’ maar:

  • De regiovorming voor de ene problematiek is niet gelijk aan de regiovorming van een andere problematiek.
  • Zo’n benadering zal alleen maar leiden tot bestuurlijke versnippering en concurrentie.
  • Een regio-indeling is immers vaak ‘sectorgerelateerd’ en kan een bedreiging vormen voor de kwaliteit van het voeren van een geïntegreerd en transversaal beleid.
  • Daarnaast kan het niet de bedoeling zijn dat problemen die in één regio worden opgelost tegelijkertijd worden afgewenteld naar een andere regio.
  • Daarenboven dient er op gewezen te worden dat een veelheid van regio’s eerder een versnippering van de inzet van de middelen totstand brengt wat meer dan hoogstwaarschijnlijk ten nadele is van de kwaliteit van het beleid.
  • Tot slot zou het oprichten van nieuwe structuren, die misschien vandaag relevant ogen, morgen reeds aangepast te worden.

 

Een bijna gelijkaardige analyse kan men maken mbt voorstellen als:

  • Middenbestuur wordt gerund door ambtelijke gedeconcentreerde diensten
    • Quid afstemming om te komen tot een transversale benadering
    • Maken van keuzes en legitimatie
    • participatie
  • Gouverneur en een raad van burgemeesters
    • Quid verdeelvraagstukken
    • Sterke gemeenten (laken naar zich toetrekken) versus zwakke gemeenten (ondergaan)
    • Quid (veranderende) coalities?

 

Vraag 3

Is in de nabije toekomst een verdere ingreep op de bevoegdheden van de provincies te vermijden?  

Probleem is dat de discussie over de toekomst van het provinciaal bestuursniveau ‘partijpolitiek’ gepolariseerd is en eventueel als pasmunt zal dienen voor het dienen van andere (hogere) belangen.

Een echt bestuurlijk alternatief is momenteel (nog) niet voorhanden. Zie supra Nederland maar ook in Frankrijk duurt het debat over de departementen (persoonsgebonden taken), de régions (grondgebondentaken) en de stedelijke gebieden nu al meer dan een halve eeuw met als resultaat een kluwen van verschillende intergemeentelijke samenwerkingsvormen…

Uiteraard kan men freewheelen. Enkele alternatieve modellen:

  • Regiovorming (zie supra)
  • Gedeconcentreerde diensten (primaat van de ambtenarij?)
  • Gouverneur (niet verkozene) die de raad van burgemeesters voorzit: quid verdeelvraagstukken (en de nodige compensaties)? Quid interne coalities

 

3 bestuurlijke to do’s

  • Het streven naar bestuurlijke rust en stabiliteit

Tijdens het afgelopen decennium werd het provinciaal bestuursniveau grondig hervormd. Onder de noemer ‘bestrijden van de bestuurlijke verrommeling in Vlaanderen’ werden er doorheen de tijd door de Vlaamse overheid twee projecten opgezet met focus op het provinciaal middenbestuur.

Vooreerst was er het project ‘interne staatshervorming’ (2009-2014) waarbij het accent lag op de afbakening van de persoons- en culturele bevoegdheden van de provinciebesturen op basis van specifieke decreten en bestuursovereenkomsten.

Daarna was er het project ‘afslanking van de provincies’ dat veel verder ging door het onttrekken van de persoonsgebonden en culturele bevoegdheden aan de provincies. De financiële middelen van de provincies werden sterk ingeperkt (provinciefonds werd afgeschaft, de provinciale opcentiemen afgelijnd), de participatie aan de intergemeentelijke samenwerkingsvormen werd stopgezet, er kwam een halvering van het aantal provinciemandatarissen,….

De vraag dient gesteld te worden of dit alles heeft bijgedragen tot een beter bestuurlijke organisatie? Is de ‘bestuurlijke verrommeling’ nu weggewerkt? Heeft de burger nu meer inzicht in wie verantwoordelijk is voor wat zodat hij beter terecht kan? En, het meest belangrijke nog, heeft dit alles bijgedragen tot een beter functioneren van het binnenlandsbestuur in Vlaanderen, wetende dat maatschappelijke problemen steeds meer een bovenlokale dimensie hebben?

We kunnen daar kritisch over zijn…

Belangrijk is echter dat er nu enige vorm van ‘bestuurlijke rust’ komt waardoor de drie bestuursniveaus elkaar kunnen vinden om samen te werken en concrete afspraken te maken.

Zowel langs de kant van de gemeenten als langs de kant van de Vlaamse overheid stellen we immers vast dat op basis van individuele dossiers op de ‘werkvloer’ de te tevredenheid over de samenwerking, de inzet en de werkkracht van het provinciaal niveau best hoog is!

Laat dan in ‘politiek Brussel’ dezelfde wind waaien als op de werkvloer!

 

  • Herwaardering van de bestuurlijke hoofdstructuur

Om deze bestuurlijke rust én stabiliteit te realiseren is het belangrijk dat de bestuurlijke hoofdstructuur, met ieder zijn eigen specifieke maar onderling afgestemde missie, zich maximaal waar kan maken zonder in de sfeer te komen van bestuurlijke concurrentie.

Vanuit deze ingesteldheid hoeft men niet te polariseren, noch het laken naar zich toe te trekken.

Centraal dient immers de erkenning van de missie en de eigenheid van ieder bestuursniveau te staan. Op basis daarvan en in open dialoog kan dan ook het subsidiariteits- en decentralisatieprincipe worden toegepast en dus ook de bestuurlijke verrommeling ‘eindelijk’ concreet worden aangepakt.

 

  • Interbestuurlijk overleg en samenwerking om te komen tot het optimaliseren van het voeren van een transversaal beleid

Belangrijk uitgangspunt wordt daarbij het op touw zetten van een goed overleg en communicatie tussen de drie bestuursniveaus.

In het kader van bestuurlijk overleg werd door Vlaanderen in het verleden enkele initiatieven genomen. Enerzijds was er de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur (1999-2006) en daarna was er VLABEST (2007-2015). De afschaffing van VLABEST ging gepaard met de opstart van het project ‘afslanking van de provincies’…

Ondertussen is er geen ‘officieel’ interbestuurlijk overlegorgaan. Wel zijn er op basis van initiatieven vanuit Vlaanderen vormen van ad hoc overleg… Ontegensprekelijk staat dit sterk in contradictie met de bestuurscultuur in de ons omringende landen zoals Nederland, Duitsland, Denemarken

Gezien de complexe evolutie van beleidsdossiers en het maximaliseren van de werking van de verkozen bestuursniveaus vormt interbestuurlijk overleg meer en meer een duidelijke meerwaarde.

De uitwerking van een degelijk ‘interbestuurlijk overleg’ waarbij afgevaardigden van de drie rechtstreeks verkozen bestuursniveaus rond de tafel zitten om tot gezamenlijke afspraken te komen over projecten die tijdens een bepaalde periode gerealiseerd dienen te worden.

Bron van inspiratie is alvast te vinden in Denemarken waarbij het Rijk, het lokale en het bovenlokale bestuursniveau geregeld bij elkaar zitten om tot goede afspraken te komen mbt het realiseren van gemeenschappelijke projecten.

Een gelijkaardige vaststelling kan gedaan worden mbt de ‘interbestuurlijke samenwerking’. Ook mbt dit dossier is er in Vlaanderen momenteel nog geen instrument aanwezig die de drie verkozen bestuursniveaus op een dynamische en toegankelijke wijze doet samenwerken. Ook deze vaststelling staat in schril contrast met de ons omliggende landen.  

Daarenboven kunnen sinds 1 januari 2019 de provinciebesturen niet langer meer participeren aan ‘intergemeentelijke samenwerkingsvormen’ tenzij bij toepassing van art. 392, 4de lid van het decreet Lokaal Bestuur. Deze zgn. ‘interbestuurlijke regeling’ is voor de VVP en in het bijzonder voor de provinciebesturen te zwak.

Deze regeling heeft immers in eerste instantie enkel als doelstelling om projecten van gemeentelijk belang te verwezenlijken.

De uitwerking van een degelijk uitgebalanceerd ‘decreet interbestuurlijke samenwerking’ waarbij verschillende  samenwerkingsvormen mogelijk zijn tussen de besturen en, indien nodig, met het privé initiatief dringt zich op. Het is meer dan eigenaardig dat in Vlaanderen zo’n regeling nog niet uitgewerkt is terwijl bij onze buurlanden (Nederland, Frankijk, Duitsland, …) zo’n interbestuurlijke regeling reeds jaren van kracht is.

 

Tot slot volgend pleidooi: de Vlaamse provinciebesturen zijn ‘streekmotoren’

Vlaamse provinciebesturen zijn flexibel, inzetbaar, veerkrachtig en beschikken over draagkracht

Zonder enige pretentie willen de provinciebesturen verder uitgroeien tot de ‘streekmotor op bovenlokaal niveau’, op maat van de streek, samen met andere partners, collega bestuursniveaus en het maatschappelijk middenveld.

De dynamiek van het provinciaal bestuursniveau, als tussenbestuursniveau, dient m.a.w. verder geoperationaliseerd te worden.

Vanuit hun decretale missie als ‘bovenlokaal bestuursniveau’ nemen de provinciebesturen ten volle hun beleidsverantwoordelijkheid op.

Zij doen dit:

  • In partnerschap afhankelijk van de doelstelling van het beoogde resultaat.

Zij beschikken over de nodige terreinkennis, nemen op basis van een democratisch besluitvormingsproces het initiatief waar nodig, coördineren, integreren en regisseren het project en volgen de dossiers daadwerkelijk op.

  • Vanuit een transversale benadering zodat hun beleidsvoering geoptimaliseerd wordt en aldus een maximaal resultaat totstand brengt.

De meerwaarde van het provinciaal bestuursniveau dient hierop geëvalueerd te worden.

Troeven op tafel

In het kader van de steeds maar aanslepende, vaak emotionele en niet zelden boven de hoofden van de provincies heen, discussie over de toekomst van het provinciaal bestuursniveau is het belangrijk om de beleidstroeven van het provinciaal bovenlokaal bestuursniveau op tafel te leggen

Deze zijn:

  • De provinciebesturen zijn de bezielers voor een vernieuwde aanpak van het ruimtelijk beleid waarbij meer de nadruk dient te liggen op het samen interbestuurlijk realiseren van veranderingen en projecten op het terrein. Vanuit hun bovenlokale missie kunnen zij daarbij hun regisseursfunctie (maatwerk, terreinkennis, overleg en bemiddelaar) ten volle inzetten om te komen tot een ruimtelijk geheel.
  • Doorheen de tijd zijn de provinciebesturen ervaren en verantwoordelijke vergunningsverleners geworden. Het toekennen van een vergunning vraagt een duidelijke legitimatie zowel wat betreft de voorbereiding als de concrete toepassing ervan zodat dit snel, correct en efficiënt kan verlopen.
  • Vanuit hun streekkennis en expertise in diverse deelaspecten en vanuit het streven naar duurzaamheid leveren de provinciebesturen een waardevolle inbreng om problemen inzake milieuproblemen op het terrein, op maat aan te pakken.
  • Het provinciaal landbouwbeleid focust zich op het praktijkgericht onderzoek maar ook op de multifunctionele aspecten van de landbouw waarbij de streekidentiteit en de streekontwikkeling centraal staat.
  • De provinciebesturen nemen een sleutelpositie in inzake het voeren van een integraal waterbeleid gericht op het beheer van onbevaarbare waterlopen. Overleg, samenwerking en het nemen van gepaste initiatieven (erosiebestrijding, aanleg opvangbekken,…) staan dan ook centraal in het voeren van het bovenlokaal beleid.
  • De 5 Vlaamse provinciebesturen profileren zich als de regisseur van het gebiedsgericht plattelandsbeleid waarbij het behoud van de streekidentiteit en de leefbaarheid van het platteland centraal staat.
  • Het provinciaal onroerend erfgoedbeleid focust zich op vier sporen: monumentenwacht, landschapszorg, onroerend depot werking en publiekswerking/sensibilisering.
  • Wat het economisch beleid van de provincies betreft, wordt ingezet op zeven volwaardige deeldomeinen: economische innovatie en gebiedsgericht clusterbeleid; ruimtelijk economisch beleid; sociaal economisch streekbeleid; internationalisering; lokaal economisch beleid en bovenlokale detailhandel; sociale economie en arbeidszorg.
  • Voor wat betreft het Europees beleid staat centraal de ontsluiting van de Europese middelen (o.a. het aantrekken van de nodige projectfondsen) en mogelijkheden ter ondersteuning en begeleiding van lokale besturen, kennisinstellingen, bedrijven en organisaties die gebruik willen maken van Europese middelen en mogelijkheden.
  • Het toeristisch beleid van de provincies kan samengevat worden onder de noemer ‘maatwerk voor elke streek’ en heeft dan ook als uitgangspunt zorg dragen voor een beetje ‘vakantie in eigen streek’.
  • Inzake het voeren van een mobiliteitsbeleid staat de coördinatie van de fietsostrades  met stip vooraan en dit in het kader van het realiseren van het STOP-principe waarbij stappen, trappen en openbaar vervoer centrale gegevenheden zijn tov het gebruik van privé autogebruik.
  • Wat wonen betreft hebben de provinciebesturen een ondersteunende én sensibiliserende taakstelling. Zo zijn de provinciebesturen, zonder meer, trendzetters in het promoten van het gebruik van ‘duurzame bouwmaterialen’ en leggen ze accenten in het kader van hun verantwoordelijkheden inzake ruimtelijke planning.
  • De aantrekkingskracht van de provinciale recreatie- en groendomeinen hoeft geen nadere toelichting. Deze domeinen behartigen een multifunctionele doelstelling gaande van de zorg voor de natuur als de invulling van ‘vakantie in eigen streek’!
  • Tot slot mag het provinciaal onderwijs in deze opsomming niet ontbreken. De concrete afstemming tussen het technisch- en beroepsonderwijs met het professionele leven is daarbij een belangrijke doelstelling.

 

Gebiedsgerichte samenwerking als efficiënte methodiek

De meerwaarde van het provinciaal bovenlokaal bestuursniveau komt verder tot uiting via de methodiek van de gebiedsgerichte samenwerking, een methodiek die decretaal verankerd is in art. 2 van het Provinciedecreet.

Deze methodiek zet zich af tegen het traditioneel gebruik maken van het werken in vaste structuren als regio’s of andere vormen. Bij gebiedsgericht werken is één van de uitgangspunten als een project gerealiseerd is, wordt het samenwerkingsverband opgeheven.

De troeven van de gebiedsgerichte samenwerking zijn daarbij:

  • de juiste partners en deskundigen zitten rond de tafel om tot de nodige afspraken te komen rond visie-ontwikkeling, concreet programma en uitvoering en opvolging;
  • het gestelde probleem wordt in haar totaliteit (intersectoraal, interbestuurlijk) omschreven, aangepakt en opgelost;
  • er doet zich geen afwenteling voor van problemen naar aangrenzende streken.

 

 

 

Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookie Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.