CD&V - senioren formuleren de 8 voor 2018!  

“Meer jaren, betere kansen! De 8 voor 18 van de CD&V – Senioren”
Als CD&V – senioren bouwen we mee aan de samenleving en werken we aan een inhoudelijk programma voor het verkiezingsprogramma. 8 beleidsprioriteiten voor 2018 krijgen vorm en worden concreet ingevuld door middel van een lokale bevraging. 

Binnen CD&V vormen de CD&V - senioren een brug tussen de partij en de senioren. We vertolken binnen de partij de standpunten over de maatschappelijke uitdagingen voor senioren en we vertalen die naar de politiek toe. Als CD&V – senioren zijn we betrokken op het maatschappelijk gebeuren en spelen we onze politieke rol. Zo hadden we onze samenkomst op 26 september omtrent de Internationale dag van de Ouderen, zijn we van 2 tot 4 oktober naar Straatsburg geweest om ons te informeren over het Europees beleid en contact te hebben met onze Europarlementairen Ivo Belet en Tom Vandenkendelaere. Zo nemen we deel aan het politiek bestuur van de partij, aan cederwerkgroepen, hebben we contact met onze parlementsleden en ministers, zetten we zelf themadagen op over actuele uitdagingen.

In 2018 en 2019 zijn het politieke verkiezingen. Een belangrijk gebeuren waar we ten volle willen aan meewerken.

 Traject 2018

In voorbereiding van de verkiezingen zetten we een traject uit. Dit traject heeft twee facetten, een inhoudelijk traject en een traject omtrent de kandidaten.

  1. Wat het traject omtrent de kandidaten betreft, voorzien we de volgende stappen:

-           Samen met onze partij, de CD&V, en het lijstvormingscomité  trachten we valabele seniorenkandidaten te vinden om op de lijst te staan en bereid zijn om bij hun verkiezing aan het beleid deel te nemen.

-           Als CD&V – senioren gaan we voor een goeie mix en trachten we mensen op de lijst             te hebben die ons programma mee willen dragen en uitvoeren

-           We trachten kandidaten te vinden die onze prioriteiten mee uitdragen en mee willen helpen realiseren. Dit engagement kan aangegaan worden door 60-plussers, maar ook door kandidaten die jonger zijn.

Onze “winnende ploeg”: een goede mix van ervaring en vernieuwing, leeftijden, diversiteit met duidelijke programmapunten, ook op het vlak van senioren- en ouderenbeleid. DAAROM IS HET BELANGRIJK DAT JULLIE ALS CD&V - SENIOREN ACTIEF BETROKKEN ZIJN IN DE LOKALE PARTIJSTRUCTUREN EN BESLUITVORMINGSMOMENTEN!

  1. Wat het inhoudelijk traject betreft, voorzien we volgende stappen: 

-           reeds geweest: themadagen 18 april en 13 juni over het lanceren en bespreken van beleidsprioriteiten om het inhoudelijk programma te stofferen. Tevens werd een papieren en digitale bevraging bekend gemaakt om de algemene beleidsprioriteiten             te concretiseren per gemeente. 

-           September – december 2017: UITBREKEN

*          in afdelingen / regio’s bevindingen inventariseren

*          raadplegen van een aantal onderzoeksgegevens en conclusies inventariseren

*          tot eigen lokale seniorenaccenten komen 

-           januari – juni 2018:  seniorencongres(sen) 

-           juli – oktober: campagne 

BEVRAGING      

https://docs.google.com/forms/d/e/1FAIpQLScMS7xz7nLqQPqC5N4uowWtJ7S3DwUhyotDQvNuG__1D_XAoA/viewform?c=0&w=1

 

ONTWERPVERSIE BELEIDSPRIORITEITEN VOOR DE LOKALE VERKIEZINGEN 2018

 In de WIJ van solidariteit en verantwoordelijkheid kiezen we voor verbondenheid van sterke en zwakke schouders en staan mensen niet alleen. De christendemocratie die ons inspireerde blijft ook vandaag voor ons de grondslag en het referentiekader om te werken aan een samenleving die mensen centraal stelt en luistert naar de hartenklop van mensen met wie we op weg gaan. Samen streven we naar menswaardigheid en bestrijden we armoede, ongelijkheid en onrecht.

En de uitdagingen zijn groot. Vlaanderen verzilvert. De 60-plussers in Vlaanderen bedragen momenteel 28,6% van de Vlaamse bevolking. Een trend die zich de komende jaren verder zet. Die verzilvering is geen ramp. Ouderen zijn actiever, gezonder en hoger opgeleid dan enkele decennia geleden. En ook ouderen die beperkingen en zorgnoden ondervinden, beschikken nog over heel wat competenties waarmee ze kunnen bijdragen tot een actieve, aangename en zorgzame gemeente. Daarom moeten mensen de kans blijven krijgen om actief ouder te worden. Daarom zijn er hefbomen nodig voor een goeie toekomst en schuiven we 8 beleidsprioriteiten naar voor, “De 8 voor 18”: 

Werken aan een betere toekomst kunnen senioren niet alleen. Dat vraagt een geëngageerd beleid dat een permanente dialoog met burgers en middenveld aandurft. Dat vraagt een partij die ervoor kiest om economie en sociaal beleid, groei en sociale bescherming, kansen voor elke persoon en versterking van zwakkeren aan elkaar koppelt. Dat vraagt politici die permanent weten dat zij door mensen verkozen zijn en bereid zijn hun mandaat in dialoog te verantwoorden.

Ook morgen zullen de CD&V - senioren blijven werken aan een betere toekomst. Ook morgen rekenen wij op CD&V - politici om samen een lokaal beleid te voeren waarin mensen centraal staan en waarin de kansen en noden van ‘ouder worden’ tot hun recht komen.

Ook morgen zullen wij blijven ijveren en pleiten voor kwaliteitsvolle zorg, voor betaalbaar wonen, voor toegankelijkheid en mobiliteit, voor een veilige samenleving, voor maatschappelijke participatiekansen van ouderen. Aan een dergelijke samenleving willen we mee-bouwen. 

  1. Zorg op maat

    De inkanteling van het OCMW in de gemeente en het lokaal sociaal beleid moet iedere burger de beste toegang geven tot dienstverlening en om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Dit gebeurt onder andere via een Sociaal Huis. Heel wat OCMW’s hebben ook groepsgerichte werkingen of ondersteunen groepswerkingen van Welzijnsschakels, verenigingen waar armen het woord nemen, centra algemeen welzijnswerk of samenlevingsopbouw. Inkanteling van het OCMW in de gemeente mag niet leiden tot een afbouw van die werkingen. Voor de gemeenten die zo’n werking nog niet kennen, kan de inkanteling een opportuniteit zijn om ermee te starten. Ook mensen in armoede moeten aan het beleid participeren. Sommige OCMW’s zijn op dat vlak goed bezig. Dat vereist gerichte inspanningen. Papieren of passieve adviesraden volstaan niet. Structurele participatie van mensen in armoede moet hoog op de lokale prioriteitenlijst staan. De inkanteling moet gepaard gaan met budgettaire garanties voor het sociaal beleid in de gemeente. Daarom moeten alle eigen opbrengsten van het OCMW veiliggesteld worden. Omdat het leefloon dikwijls te laag is, geven OCMW’s een aanvullende steun. Dit dient volgens duidelijke regels te gebeuren en de verschillen tussen de OCMW’s hieromtrent dienen weggewerkt te worden. Via lokale dienstencentra wordt een laagdrempelige toegang tot nabije hulp- en dienstverlening gegarandeerd. Om mensen zo lang mogelijk in hun woning te laten verblijven, ook wanneer er zorg nodig is, zorgt de gemeente voor een voldoende groot aanbod van thuiszorgdiensten: verpleging, warme maaltijden, poetsdiensten, enz. Daarnaast dient de gemeente te voorzien in dagopvang, nachtopvang en kortverblijf voor zorgbehoevende ouderen.
     
    Naar schatting leeft 4,2% van de bevolking in een situatie van onderbescherming. Onderbescherming wordt veroorzaakt door het niet-gebruik van een publiek aanbod van rechten en diensten. Omwille van de nabijheid heeft het lokaal bestuur, naast de andere beleidsniveaus, een belangrijke rol in de aanpak van onderbescherming. Het OCMW lijkt de aangewezen partner om in de gemeente te starten met dit proces naar proactieve dienstverlening. Deze dienstverlening omvat 2 sporen; ten eerste het tijdig informeren in een eenvoudige taal van potentiële gerechtigden, waarbij er bijzondere aandacht wordt besteed aan kwetsbare groepen, en ten tweede de automatische toekenning van rechten waar mogelijk.

    Wanneer de eigen woning niet meer aangepast is of men kan er niet meer in blijven wonen omdat men teveel zorgen nodig heeft, dienen er voldoende en betaalbare erkende assistentiewoningen te zijn, die flexibel kunnen gebruik maken van de dienstverlening van een nabij gelegen woonzorgcentrum.

    Ook mantelzorgers zijn onmisbaar in de samenleving. Aangezien mantelzorg zich per definitie afspeelt in de onmiddellijke omgeving van de zorgbehoevende, is het meest nabije, lokale beleidsniveau een cruciale partner in het mantelzorgbeleid. Zij ondersteunen de mantelzorger door aangepaste begeleiding, vorming en coaching. Lokale besturen nemen de nodige initiatieven (vb. gemeentelijke mantelzorgpremie, pamperpremie, dag van de mantelzorger, mantelzorgcompliment, ….) waaruit blijkt dat zij deze belangeloze inzet waarderen.

    Het zou goed zijn als gemeenten voor de inkanteling een budgettaire oefening maken waarbij ze vaststellen wat de uitgaven zijn voor het sociaal beleid en hoe die in de toekomst evolueren. Besparingen die door efficiëntiewinsten gerealiseerd worden, moet men opnieuw investeren in meer en beter sociaal beleid.

    In de wet ligt vast dat ‘ De gemeenten beogen om op het lokale niveau bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied’, en dat het OCMW ervoor zorgt dat ‘Elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.’

    2. Levenslang leren en mee zijn met de digitalisering

    Omdat een groep senioren onvoldoende kennis heeft, zorgt de gemeente voor een aanbod van lespakketten rond het gebruik van de computer en internet. Dit kan ze zelf doen of in samenwerking met externe partners.
     
    Sommige mensen kunnen zich geen digitale apparatuur aanschaffen. Daarom zorgt de gemeente ervoor dat in de bibliotheek, in de lokale dienstencentra, in het OCMW, in het gemeentehuis ruimtes zijn waar men gratis of tegen een lage prijs kan inloggen op computers en zo mails lezen, internet raadplegen… De gemeente informeert digitaal en via brochures welk “leeraanbod” er is in de gemeente en/of regio. Dit kan in stedelijke academies of conservatoria, vormingplus, culturele centra, dienstencentra enz. zijn.

    Alles wordt digitaal, bij de overheid, in het bedrijfsleven, overal. De smartphone en tablet zijn niet meer weg te denken uit onze samenleving en die digitalisering zet onverminderd voort. Er wordt steeds meer ingezet op digitale dienstverlening. Wie niet met digitalisering om kan gaan, loopt een achterstand op. Ondanks alle inspanningen van de overheid, het onderwijs en het middenveld om de digitale kloof te verkleinen, blijft toch een relatief belangrijk deel van de bevolking (15%) niet vertrouwd met de computer en de digitale dienstverlening. De gemeente mag deze groep, waaronder nog vele senioren, niet discrimineren. Dat betekent dat verspreiding van gemeentelijke informatie, het contacteren van gemeentelijke diensten ook nog altijd op een klassieke wijze verzekerd moet worden ( informatieblad, infofolders, telefoon, loket).

    3. Mobiliteit

    De mobiliteitsuitdagingen voor alle gemeenten zijn: de verkeersveiligheid verhogen, de verkeersleefbaarheid verbeteren en de vervoersvraag beheersen. Dit kan door een ruimtelijke herstructurering en selectieve bereikbaarheid van de auto, gekoppeld aan een verhoogde bereikbaarheid door een versterking van alternatieve vervoermiddelen. Een goeie mobiliteit vereist een doordachte ruimtelijke ordening en huisvesting: nabijheid is de beste mobiliteit. Dit dient voldoende uitgewerkt te zijn in de gemeentelijke mobiliteitsplannen, die jaarlijks geëvalueerd dienen te worden.Wat het verkeer en de mobiliteit betreft, hanteren we het STOP-principe: Stappen, Trappen, Openbaar vervoer en Personenvervoer.  

    Om goed te kunnen stappen, moet de woonomgeving voor ouderen maar ook voor ouderen met beperkingen toegankelijk zijn. Obstakels zoals moeilijke oversteekplaatsen, hoge stoepranden… moeten aangepakt worden. Deze zijn obstakelvrij en breed genoeg voor rollators, rolstoelen en buggy’s, en via een klein hellend vlak gemakkelijk op – en afrijdbaar. Er moeten meer voetgangerszones komen. Deze geven maximaal ruimte aan stappers en trappers, maken het winkelen aangenamer en laten ruimte voor ontmoeting en sociaal leven. Als we de fiets gebruiken om ons te verplaatsen, rekenen we op veilige en goed onderhouden fietspaden en voldoende bewaakte en overdekte fietsenstallingen met elektrische oplaadpunten. Koning Fiets moet ten volle kunnen trappen! Daarnaast moet er voldoende openbaar vervoer zijn ‘op maat van de oudere’. Hiertoe behoren de bussen van De Lijn die op korte afstand van de woning haltplaatsen hebben, maar ook belbussen, minder-mobiele centrales, taxicheques enz. Waar er autoverkeer is, moet dit zoveel mogelijk uit de woonstraten en woonkernen teruggedrongen worden. We opteren voor randparkings met een snelle pendel- en fietsverbinding richting stad. We zetten in op autodelen zodat een dure auto aanschaffen niet noodzakelijk meer is en er ook geen garage moet voor voorzien worden. Voor de treinpendelaars dienen er grote, bewaakte en gratis auto – en fietsparkings te zijn aan de stations.

    Wat de mobiliteit betreft, pleiten wij voor het DRIVE – principe: Duurzaam, Respectvol, Intelligent, Veilig en Evenwichtig


    4. Veiligheid in de buurt.

    Dergelijke ogenschijnlijk kleine ingrepen kunnen de verloedering Ook inzake reactie en repressie hebben de lokale besturen een belangrijke rol te spelen. Door middel van administratieve sancties kunnen een aantal vormen van kleine criminaliteit en overlast effectief bestraft worden. Voor een veiligheidsbeleid dicht bij de mensen, is een nabije politie van het hoogste belang. De lokale politie is dan ook één van de belangrijkste spelers in het verzekeren van onze veiligheid. De bereikbaarheid van de lokale politie, fysiek, digitaal,… is daarom een prioriteit. We kiezen voor een gemeenschapsgerichte politiezorg. De wijkagent is daarbij belangrijk en is dé bemiddelaar bij uitstek bij problemen of conflicten in zijn wijk. We pleiten er daarenboven voor dat op regelmatige basis en minstens jaarlijks, bewonersvergaderingen per wijk georganiseerd worden waar dialoog met de wijkagent centraal staat. Dat moet leiden tot een betere wisselwerking tussen buurt en wijkagent en tot een beter veiligheidsbeleid.

    Preventie krijgt men door de sociale cohesie, sociale controle en burgerparticipatie in de gemeente te versterken. Wat het preventieve luik betreft, kan de gemeente een coördinerende of ondersteunende rol spelen door de diensten voor maatschappelijk werk, het onderwijs, zorg- en hulpverlening met elkaar en met het eigen personeel (zoals maatschappelijk werkers, straathoek- en buurtwerkers, gemeenschapswachten,…) in contact te brengen. Al deze mensen kunnen immers een belangrijke rol spelen in het voorkomen van grensoverschrijdend gedrag of van escalaties van kleine conflicten. Ook een goede informatie-uitwisseling met de politie is in deze onontbeerlijk. Wil men een preventief veiligheidsbeleid voeren, dan moet men er eerst en vooral zeker van zijn dat er voldoende voorzieningen zijn genomen om overtredingen te voorkomen. Het heeft immers geen zin om vervuilers te bestraffen als er door de gemeente nergens vuilbakken worden geplaatst. Hebben de hangjongeren waar iedereen last van blijkt te hebben wel een plaats om samen te komen? In sommige gevallen zouden infrastructurele ingrepen overlast kunnen weghouden. Een gemeente vaart wel bij verlichte straten en pleinen, een ‘veilige’ architectuur, een snel herstel van vernielingen en een permanente reiniging van

    “Veiligheid” is een gegeven dat niemand onberoerd laat. Het veiligheidsbeleid krijgt gestalte op het lokale niveau dat beter in staat is om de behoeften en verwachtingen van de burger te kunnen inschatten en een goed veiligheidsplan op te stellen. Veiligheid is een kerntaak van de gemeente met een centrale rol voor de Burgemeester. Net als op nationaal vlak, moet ook op lokaal vlak gekozen worden voor een aanpak waarin preventie, reactie, repressie en nazorg elkaar opvolgen.

    5. Bouwen en wonen

    Iedereen heeft het recht op wonen in onze samenleving ongeacht zijn of haar socio-economische status, afkomst, … De gemeente dient een kwalitatief, betaalbaar, voldoende uitgebreid en aan hedendaagse energienormen aangepast aanbod aan huur- en koopwoningen in de sociale en private markt, in een leefbare omgeving te verzekeren. De gemeente werkt hiervoor samen met sociale huisvestingsmaatschappijen, sociale verhuurkantoren maar ook private investeerders.  We willen de publieke ruimte terug winnen als sociale ruimte, als ontmoetingsplaats, om buurten te versterken. We herwaarderen de functie van het dorpsplein. We investeren in parkjes, pleintjes, wijkhuizen, … Ook fietsenstallingen, groenvoorziening, zitbanken, speeltoestellen, paden en parkeerruimte geven meerwaarde aan de publieke ruimte. Kwaliteitsvolle buurten omvatten voldoende ruimte voor recreatie en voldoende sport- en spelfaciliteiten. De gemeente dient eveneens oog te hebben voor nieuwe technologieën met het oog op klimaat- en energiedoelstellingen. Waar het nodig is, dient gerenoveerd te worden. Waar de kost van renovatie te hoog is in verhouding tot de winst, kiezen we voor de meer duurzame oplossing van afbreken en heropbouwen.

    De bestrijding van leegstand is eveneens essentieel voor de kwaliteit van de publieke ruimte en een verhoogde leefbaarheid van buurten. De hefboom van de belasting van leegstaande woningen en panden moet daartoe maximaal worden ingezet en toenemen met de periode van leegstand.

    We pleiten voor een woonbeleid dat meer geïntegreerd is met het zorgbeleid, waarbij ouderen en andere personen met een zorgnood de kans krijgen aangepast te wonen in hun eigen buurt. De gemeente trekt eveneens de bouw van erkende assistentiewoningen aan, met dienstverlening en liefst aanleunend bij een woonzorgcentrum waar men flexibel van de diensten kan gebruik maken.

    De groter wordende groep ouderen is vaak niet goed meer te been. Bij het ontwerpen van woningen dient meer aandacht besteed te worden aan de toegankelijkheid van de woning en de bewegingsruimte. Ook pleiten we voor aangepaste en aanpasbare sociale woningen. Voor sommigen kunnen woongemeenschappen een aangepaste oplossing betekenen. Er moet hierbij worden voorzien in individuele units met gemeenschappelijke ruimtes. Co-housing en kangoeroewonen zijn alternatieve oplossingen. 


    6. Toegankelijkheid

    Sedert 1 maart 2010 is er in Vlaanderen een nieuwe regelgeving die de toegankelijkheid van publieke gebouwen vastlegt. Bij oudere openbare gebouwen blijft de vraag hoe de toegankelijkheid van bestaande openbare gebouwen mee opgenomen kan worden in renovatieprojecten. We steunen hierbij het DOD – principe: Doorgangen zijn voldoende breed Oppervlak is voldoende effen, vlak, aaneengesloten, slipvrij, rolstoelvast en voorzien van duidelijke geleiding. Drempels worden vermeden Tevens moet de gemeente bij infrastructuurwerken proberen om alle werken zoveel als mogelijk op elkaar af te stemmen en zo de hinder voor de bevolking en ondernemingen maximaal te beperken. De toegang tot stations en perrons is voorzien van roltrappen naar boven en naar beneden. Deze toegangen zijn tevens voldoende breed voor rollators, rolstoelen…De gemeente dient voldoende parkeerplaatsen voor mensen met een beperking voor te behouden. Deze plaatsen dienen duidelijk gesignaleerd te zijn. Er dienen hiervoor ook uitstapzones voorzien te worden.Daarnaast moet alle informatie die vanuit de gemeente wordt verstrekt op een heldere en verstaanbare wijze wordt gedeeld. Ook inzake nabijheid moet het lokale bestuur vlot toegankelijk zijn, elektronisch of fysiek. Vlotte en aangepaste openingsuren én een centraal aanspreekpunt voor de bevoegdheden van alle bevoegdheidsniveaus in de gemeente, zijn daarbij belangrijk.     


    7. Inspraak en participatie
    Bij de voorbereiding, de uitvoering en het opvolgen van de voortgang van het lokaal sociaal beleid moeten de burgers en de lokale actoren – in het bijzonder de meest kwetsbare doelgroepen – aantoonbaar worden betrokken. De participatie van de gebruikers van de hulp- en dienstverlening is essentieel om een lokaal beleid tot stand te brengen dat stoelt op inspraak.Adviesraden realiseren en versterken de inspraak van burgers vb. ouderen, jeugd, … . Om de betrokkenheid van mensen, ondernemingen, middenveld,… te versterken, dient de gemeente een goeie communicatie te voeren. Daarnaast dient de gemeente alle partners in het lokale verhaal ook te laten participeren aan het beleid en de inspraak te versterken. Zo beslist de gemeente niet alleen over maar ook met de lokale samenleving: de inwoners van onze gemeenten zijn partners in het beleid. Wij willen daarom -naast de structurele participatie via bv. adviesraden- ook werk maken van meer occasionele modellen, bv. naar aanleiding van mobiliteitsdossiers, de heraanleg van een buurt, straat, plein,… In het algemeen moeten participatietrajecten tijdig en vroeg in de besluitvorming worden opgestart, en dus niet als de beslissing al zo goed als definitief genomen is. Als gemeente moeten we ook met het verloop en de uitkomst ervan durven rekening houden, al blijft de definitieve beslissingsbevoegdheid wel bij het gemeentebestuur liggen. Maar het heeft geen zin mensen inspraak te geven als men uiteindelijk gewoon zijn zin blijft doen.De UITpas vormt een belangrijk element om iedereen de kans te geven om deel te nemen aan cultuur en evenementen in de gemeente.Het verenigingsleven blijft voor de CD&V - senioren een belangrijke pijler van maatschappelijke participatie en betrokkenheid. Daarom dient de gemeente de verenigingen optimaal te ondersteunen, zowel logistiek als financieel. De gemeente dient een gunstig klimaat te creëren waarbinnen vrijwilligers aan de slag kunnen, zonder zelf in de plaats van het vrijwilligerswerk te treden. Vrijwilligerswerk kan voor vele burgers een vorm van participatie betekenen en hun betrokkenheid waarderen. 
     
    8. Gezond blijven door sport en beweging

    De gemeente ondersteunt sportverenigingen in het algemeen en sportclubs voor senioren in het bijzonder. Samen sporten is immers meer stimulerend en motiverend dan alleen. De gemeente zorgt voor een voldoende breed sportaanbod op toegankelijke uren voor ouderen.
    Het is in het belang van iedereen om zoveel mogelijk mensen aan het bewegen te krijgen. Samenwerking en ondersteuning vanuit volksgezondheid en welzijn zijn niet los te zien van een lokaal sportbeleid. Infrastructuur kan gedeeld worden over de grenzen heen, zowel geografisch als wat beleidsdomeinen betreft; bijvoorbeeld onderwijsinfrastructuur, waar sportinfrastructuur na lesuren ter beschikking kan gesteld worden van sportclubs en andere.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                      

CD&V gebruikt cookies om uw surfervaring op deze website gemakkelijk te maken. Door onze website te bezoeken, gaat u akkoord met deze cookies.